In een recent kort geding over de Europese aanbesteding van de NS voor de inhuur van flexibel personeel stond de vraag centraal of de gunningssystematiek feitelijk neerkwam op laagste prijs én of enkele gestelde eisen disproportioneel waren. De voorzieningenrechter oordeelde dat geen sprake was van een gunning op laagste prijs en dat de gestelde eisen niet disproportioneel waren. Volgens de voorzieningenrechter biedt de gekozen systematiek juist voldoende ruimte om zich te onderscheiden op kwaliteit en de aangevoerde bezwaren tegen de eisen houden geen stand.
Waar ging de zaak over?
NS wilde een raamovereenkomst sluiten met één dienstverlener voor de duur van maximaal acht jaar. Een inschrijver maakte bezwaar tegen drie onderdelen van de aanbesteding: de verhouding tussen prijs en kwaliteit, de verdeling van de ziekteverzuimkosten en de tariefbandbreedte. Daarnaast waren er vragen over de werking van de zogeheten TarievenTool, het systeem waarmee inschrijvers hun tarieven moesten invoeren, maar daarover hebben partijen tijdens de procedure al afspraken gemaakt.
Ging het toch om laagste prijs?
Volgens de inschrijver kwam de gekozen systematiek er in de praktijk op neer dat alleen de laagste prijs zou tellen. De inschrijver stelde dat de verschillen in kwaliteit nauwelijks invloed konden hebben, omdat alle inschrijvers daar ongeveer gelijk zouden scoren. De voorzieningenrechter zag dat anders. Voor prijs zijn maximaal 400 punten te verdienen en voor kwaliteit 600. Daarmee weegt kwaliteit zwaarder mee. Bovendien wordt kwaliteit beoordeeld aan de hand van verschillende subcriteria, met duidelijke scores van slecht tot uitstekend. Dat biedt inschrijvers voldoende ruimte om zich te onderscheiden. Het is dus goed mogelijk dat een inschrijver met een hoger uurtarief toch de hoogste eindscore behaalt dankzij een betere beoordeling op kwaliteit.
Proportionaliteit van de verdeling van ziekteverzuimkosten
NS had bepaald dat 70 procent van de ziekteverzuimkosten voor de opdrachtnemer is en 30 procent voor NS. De inschrijver vond dat disproportioneel, omdat NS meer invloed heeft op de omstandigheden op de werkvloer en daardoor ook op het ziekteverzuim. De rechter vond dat argument niet overtuigend. Een aanbestedende dienst mag zelf bepalen hoe risico’s worden verdeeld en welke eisen worden gesteld, zolang die niet disproportioneel zijn. Dat de inschrijver vond dat de verdeelsleutel voor hem niet kostendekkend was, is onvoldoende om disproportionaliteit aan te tonen. De inschrijver onderbouwde bovendien niet welke verdeling wel redelijk zou zijn.
De tariefbandbreedte
Ook de tariefbandbreedte stond ter discussie. Volgens de inschrijver dwingt de ondergrens van 30 euro per uur inschrijvers tot een niet-kostendekkend tarief. De rechter ging daar niet in mee. Het is toegestaan om een ondergrens vast te stellen, zolang deze redelijk is. Het aanbestedingsrecht verplicht er niet toe dat elk tarief binnen de bandbreedte voor iedere inschrijver winstgevend moet zijn. Ondernemers kunnen altijd een hoger tarief aanbieden. Dat dit voor één partij niet rendabel is, maakt de eis niet disproportioneel.
Wat betekent dit voor aanbestedende diensten?
Deze uitspraak laat zien dat kwaliteit daadwerkelijk het verschil kan maken, ook wanneer scherpe tarieven een rol spelen. Dat is opvallend, omdat de voorzieningenrechter in een eerdere NS-zaak uit 2018 juist oordeelde dat kwaliteit bij de inhuur van administratieve uitzendkrachten nauwelijks invloed had.
In die eerdere zaak mocht NS op laagste prijs gunnen, omdat de werkzaamheden grotendeels gestandaardiseerd waren en de ingehuurde krachten uitwisselbaar werden geacht. De markt bood daar weinig ruimte voor onderscheid op kwaliteit.
In de huidige zaak ligt dat anders. De opdracht had een bredere scope en zag niet alleen op administratieve ondersteuning, maar ook op operationele en uitvoerende functies waarbij inzet, ervaring en samenwerking direct invloed hebben op de kwaliteit van de dienstverlening. Denk bijvoorbeeld aan technisch of logistiek personeel, waar kennis, beschikbaarheid en zorgvuldigheid een belangrijkere rol spelen dan bij puur administratieve inhuur. De kwaliteitscriteria waren bovendien concreet uitgewerkt in verschillende subcriteria met duidelijke scores en wogen zwaarder mee in de beoordeling dan prijs. Daarmee konden inschrijvers zich wél onderscheiden. De voorzieningenrechter benadrukte dat dit voldoende ruimte biedt om verschil te maken op kwaliteit.
Voor aanbestedende diensten betekent dit dat bij inhuur de keuze voor het gunningscriterium moet aansluiten op de aard van de opdracht. Gaat het om standaarddiensten met uitwisselbare functies, dan ligt gunning op laagste prijs voor de hand. Maar als de uitvoering en de kwaliteit van mensen daadwerkelijk verschil kunnen maken, moet er ook ruimte zijn om dat onderscheid te belonen in de beoordeling.
Bij eisen die raken aan proportionaliteit, zoals de verdeling van kosten of het hanteren van een bandbreedte, is het belangrijk dat inschrijvers die dit aanvechten concreet onderbouwen waarom dit disproportioneel zou zijn. Algemene stellingen over kostendekkendheid zijn daarvoor niet voldoende.
Tips voor de praktijk
- Kies het gunningscriterium dat past bij de aard van de opdracht. Bij standaard inhuur kan laagste prijs volstaan, maar bij onderscheidende inzet hoort de beste prijs-kwaliteitverhouding.
- Zorg dat kwaliteit substantieel meeweegt ten opzichte van prijs en gebruik een beoordelingsschaal die duidelijke verschillen mogelijk maakt.
- Leg in de aanbestedingsleidraad helder uit hoe de prijssystematiek werkt en waarom de gekozen bandbreedte marktconform is.
- Onderbouw eisen over kostenverdeling of tarieven en leg vast waarom die proportioneel zijn.
- Documenteer de gemaakte keuzes zorgvuldig, zodat ze controleerbaar en navolgbaar zijn.
Conclusie
Deze uitspraak laat goed zien waar de grens ligt tussen laagste prijs en kwaliteit bij inhuur. Wanneer het werk sterk gestandaardiseerd is en de inzet van personeel weinig ruimte laat voor onderscheid, kan gunning op laagste prijs gerechtvaardigd zijn. Zodra kwaliteit, ervaring of uitvoering wél verschil maakt, moet dat ook zichtbaar worden beloond in de beoordeling.
De voorzieningenrechter benadrukt dat een aanbesteding pas evenwichtig is als de gekozen systematiek aansluit op de aard van de opdracht. Dat vraagt om bewuste keuzes en een goede onderbouwing, zodat duidelijk is waarom kwaliteit wel of niet de doorslag mag






