Justis heeft een aanvraag voor een gedragsverklaring aanbesteden (GVA) geweigerd, ten onrechte, zo oordeelde de voorzieningenrechter in een kort geding van 2 september 2025.
De kern van de zaak
In deze zaak gaat het om de weigering van een GVA op grond van de Aanbestedingswet. Een GVA is een officiële verklaring, die afgegeven wordt door Justis. Deze verklaring is het bewijs dat er geen uitsluitingsgronden van toepassing zijn op de onderneming. De aanvrager van de GVA (hierna: aanvrager) is het niet eens met de weigering en heeft een kort geding gestart bij de voorzieningenrechter. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe, omdat de beslissing van Justis is gebaseerd op bepalingen uit de Aanbestedingswet, die in strijd zijn met de Aanbestedingsrichtlijn. Het gevolg hiervan is dat de strijdige bepalingen uit de Aanbestedingswet buiten toepassing moet worden gelaten. Europese richtlijnen hebben namelijk voorrang boven nationale wetgeving.
Reden van weigering
Justis heeft de GVA geweigerd, omdat de aanvrager onherroepelijk is veroordeeld op 30 juli 2024. De aanvrager heeft de Arbeidsomstandighedenwet overtreden. Op grond van de bepalingen 4.7, 4.8 en 4.10 Aanbestedingswet volgt volgens Justis dat de GVA moet worden geweigerd. In die bepalingen is vastgelegd dat de terugkijktermijn drie (3) jaar is ten aanzien van de datum van de onherroepelijke veroordeling.
De aanvrager is van mening dat de terugkijktermijn inhoudt dat Justis had moeten beoordelen of het gepleegde feit in de afgelopen drie (3) jaar is gepleegd. Die datum viel namelijk buiten die termijn (19 maart 2019). Daarbij verwijst de aanvrager naar artikel 57 lid 7 van de Aanbestedingsrichtlijn. In dit artikel is bepaald dat het uitgangspunt de datum waarop de gebeurtenis (lees: het strafbare feit) heeft plaatsgevonden.
Geldende terugkijktermijn
In de Nederlandse wetgeving staat er een terugkijktermijn van drie (3) jaar in artikel 4.8 lid 2 van de Aanbestedingswet.
In artikel 57 van de Aanbestedingsrichtlijn staan de bepalingen omtrent de uitsluitingsgronden. Uit artikel 57 lid 7 Aanbestedingsrichtlijn volgt maximumduur die lidstaten mogen hanteren als terugkijktermijn:
- niet langer dan vijf (5) jaar vanaf de datum van de veroordeling bij onherroepelijk vonnis in gevallen genoemd in lid 1 (de verplichte uitsluitingsgronden);
- niet langer dan drie (3) jaar na datum van de betrokken gebeurtenis bedoeld in lid 4 (de facultatieve uitsluitingsgronden).
In deze zaak gaat het om een geval dat in de laatste categorie valt. Er moet dus een terugkijktermijn van drie (3) jaar na datum van de ‘betrokken gebeurtenis’ gelden. Om die reden is de voorzieningenrechter voorshands van oordeel dat de terugkijktermijn van artikel 4.8 lid 2 Aanbestedingswet in strijd is met de Aanbestedingsrichtlijn. De terugkijktermijn uit de Aanbestedingswet had op grond hiervan moeten gelden ten aanzien van de datum van het gepleegde feit, en niet ten aanzien van de onherroepelijke veroordeling.
De voorzieningenrechter is (voorshands) van oordeel dat Justis de terugkijktermijn van artikel 4.8 lid 2 Aanbestedingswet buiten toepassing moet laten bij het nemen van het besluit. Omdat er verder geen andere weigeringsgronden zijn in het besluit van Justis, had Justis de GVA moeten verlenen aan de aanvrager.
Belang voor de praktijk
Een GVA is een verklaring dat uit onderzoek is gebleken dat er geen uitsluitingsgronden van toepassing zijn op een onderneming, of natuurlijk persoon. Justis is de autoriteit die deze verklaringen uitgeeft en is onderdeel van het ministerie van Justitie en Veiligheid.
Bij een aanvraag van een GVA doet Justis onderzoek. Justis raadpleegt eerst het Justitieel Documentatie Systeem (JDS). In dit systeem worden misdrijven en overtredingen geregistreerd van zowel natuurlijke als rechtspersonen. In de beoordeling van Justis worden enkel onherroepelijke veroordelingen betrokken. Dit wil zeggen dat tegen de veroordelingen geen rechtsmiddelen, zoals hoger beroep, meer openstaan.
Ook onderzoekt Justis of sprake is van relevante beschikkingen van de Autoriteit Consument en Markt (ACM) of de Europese Commissie.
Bij het onderzoek moet Justis de geldende terugkijktermijnen hanteren. Valt een bepaalde gebeurtenis of onherroepelijke veroordeling buiten de terugkijktermijn, dan mag die gebeurtenis en/of onherroepelijke veroordeling, niet mee worden genomen in het besluit om een GVA te weigeren. In beginsel mogen aanbestedende diensten uitgaan van de juistheid van de besluiten van Justis. Indien echter een inschrijver een klacht indient over een mogelijke uitsluitingsgrond bij een andere inschrijver, of stelt dat de GVA ten onrechte door Justis is geweigerd, dan kan nader onderzoek van de aanbestedende verwacht worden.






